Eerder schreef ik naar aanleiding van een themanummer van Kontekstueel (27/2) nogal kritisch over de kerkdienst; vooral prikkelend bedoeld. En dat leverde de nodige reacties op; meestal instemmend, maar ook heilzaam corrigerend.
Naar aanleiding van mijn column legden we gisteren in een heel ander verband 1 Kortinthe 14 daar nog eens naast. Daar worden het spreken in vreemde talen (door ons maar al te vaak plat geslagen tot tongentaal) en profetie tegen elkaar afgezet en geeft Paulus aanwijzingen aan de gemeente van Korinthe voor hun samenkomst. Er schijnt heel wat mis te zijn geweest met die gemeente, maar dat gezegd zijnde vroeg ik me meteen af wat Paulus aan mijn huidige gemeente of aan mijn vroegere gemeentes geschreven zou hebben. Maar als je zo’n vraag stelt, volgt daar maar al te vaak een hele discussie uit, waarin goed en fout (in onze eigen ogen) worden uitgewisseld zonder dat het tot een erg vruchtbaar gesprek komt over dat onderwerp.
Ik laat dus maar even in het midden wat Paulus geschreven zou hebben aan ‘mijn’ gemeentes. Ik heb daar natuurlijk best beelden bij (zie bijvoorbeeld mijn vorige column), maar het lijkt me vruchtbaarder om het deze keer over een andere boeg te gooien en iets dieper in te gaan op 1 Korinthe 14 en wat daar wordt gezegd. In een gemeente (dus ook als die gemeente samenkomt) heeft profetie een belangrijker plaats dan het spreken van vreemde talen. De vreemde talen zijn bedoeld voor de ongelovigen; de profetie is bedoeld voor de gemeente (vers 22). En als die profetie een plek heeft in de gemeente? Dan – staat in vers 3 – is er sprake van bemoediging, vermaning en troost. Het is maar wat je leuk vindt, maar ik vind het heerlijk om bemoedigd te worden als het even niet meer gaat. Het is maar wat je nodig hebt, maar als ik verdriet heb, hunker ik naar troost. En als ik met mezelf in de knoop lig, helpt een vermaning me vaak om dingen weer op een rij te krijgen; orde op zaken te stellen; het vuil de deur uit te doen.
En zoals je in mijn vorige column hebt kunnen proeven: tijdens de eredienst miste ik dat – de troost, de bemoediging en de vermaning – en – zei ik letterlijk – verveelde ik me soms stierlijk tijdens een kerkdienst. In onze nieuwe gemeente – waar we ons recent bij hebben aangesloten – gebeurt er meer tijdens die kerkdienst. Ik weet natuurlijk nog niet hoe bestendig dat is, maar lofprijzing en profetie laten me momenteel veel ruimte voor de verwerking van het verdriet dat er in overvloed blijkt te zijn. En hoewel de prediking niet zo diep gaat als de gereformeerden zeggen te gaan, is er zoveel variatie dat het weer leuk begint te worden om naar de kerk te gaan. Overigens is dat niet het leuk van leuk, maar het leuk van groeien in je geloof, van de lach en de traan, kortom: van de breedte en diepte van het hele leven; dat echt niet altijd leuk is en hoeft te zijn. En dat is me daar een bevrijding: dat het soms, maar niet altijd leuk hoeft te zijn!









Enkele weken geleden overleed Bernlef op 75-jarige leeftijd. Een paar jaar geleden las ik zijn boekenweekgeschenk – ‘De pianoman‘ – en ik was halverwege zijn boek ‘Publiek geheim‘ (waarvoor hij in 1987 de AKO Literatuurprijs ontving). Hoewel ik sinds halverwege de jaren ’80 wist dat hij met ‘Hersenschimmen‘ een fenomenaal boek geschreven moest hebben, had ik het nooit gekocht en dus ook niet gelezen. Het was er gewoon nooit van gekomen; tot ik een paar weken geleden m’n eerste ebook kocht en ‘Hersenschimmen‘ alsnog las.
Het gebeurt me maar net iets vaker dan once in a lifetime dat ik een boek lees, waarin ik me zo herken dat ik na afloop niet meer weet of wat ik heb geleerd nu van mezelf of in dit geval van de schrijfster is of was. Marli Huijer heeft zo’n boek geschreven, waarin de chemie van eigen ervaring en het gelezene op nieuwe ideeën brengt en mijn leven verandert; hoewel je daar natuurlijk ook weer niet al te schokkende dingen bij hoeft te bedenken.
Na
Het zit me dwars: dat moderne liberalisme dat tegenwoordig overal doorheen lijkt te sijpelen. En ik raak er maar niet aan gewend. Nu heb ik an sich niets tegen het liberalisme zelf. Soms zeg ik zelfs wel eens gekscherend dat ik als christen nog liberaler ben en denk dan de meest verstokte liberalen doen. En daar zit ‘t ‘m misschien ook wel gewoon in: dat liberalen zich verstokt of – zo je wilt – fundamentalistisch kunnen gaan gedragen; vrijheid als dictatuur. En dat laatste is precies waar ik me zo aan stoor.
Rationeel begreep ik altijd al wel hoe het zat met het laagje vernis dat onze samenleving overdekte; en dat de barsten er zomaar in kunnen schieten. Maar vanaf het moment dat ik dat voor mezelf netjes op een rijtje had gezet, begreep ik nooit hoe ik zelf aan dat spel mee zou kunnen doen.
Zoals ik vandaag op Facebook en Twitter al liet weten, vind ik de Street Art van Bansky geniaal! Het is subtiel, maar confronterend en beter dan hij kan ik het in taal niet uitdrukken (met dank aan een collega die me daar vandaag op wees).
Sartre had dat veel beter begrepen dan Leon de Winter: als iemand eenmaal dood is, moet je niet over de hemel schrijven. En als je dat dan toch doet – zoals Sartre in zijn ‘De teerling is geworpen‘ – zorg dan dat je de hoofdpersoon weer zo snel mogelijk uit die hemel op aarde krijgt. Dat is een mooi boek overigens: ‘De teerling is geworpen‘. Ik las het 15 jaar geleden, maar weet me de verhaallijn nog precies te herinneren en herkende me destijds en nog steeds in de boodschap die Sartre daarmee wilde geven: vertrouw niet teveel op wat je kunt bereiken; op idealen; of op mensen die vast wel naar je zullen luisteren. Hou het – met andere woorden, hoewel dat de boodschap van Sartre niet meer zal zijn – vooral realistisch en richt je op de dingen, waarvan jij denkt dat ze het meeste effect kunnen hebben (maar dan zijn we ondertussen bij Stephen R. Covey die deze zomer overleed en dat is weer een heel ander verhaal).